Die winterdag, dinsdag 16 februari, begon een beetje grauw, de hemel was licht bewolkt, maar het was nog wel droog. We waren vroeg opgestaan en hadden een snel en licht ontbijt genomen. Toch hadden we geen haast.
Ruim drie kwartier nadat we vertrokken waren, naderden wij de IJssel. Als ik over de brug bij Deventer rijd, probeer ik altijd een glimp op te vangen van die mooie zilveren stroom. Ik houd van die rivier. Ze markeert in mijn beleving altijd een verandering in het weer: schijnt de zon in het Westen, dan tref je na het oversteken van de IJssel bewolking en zelfs regen aan. Omgekeerd gaat het ook op.
Deze dinsdag ving ik alleen een glimp op van een witte vlakte; was de IJssel bevroren?
Al gauw klaarde het weer dus op, die dinsdag 16 februari toen wij de IJssel overstaken. Toen we aankwamen bij de boerderij in Enschede, strooide de zon een lief glanzend licht over het besneeuwde erf. Die verlegen, vriendelijke gulheid ken ik echt alleen van de februarizon.
De boerderij maakte een gesloten en verlaten indruk, maar wij wisten wel beter. Binnen was een doelgerichte bedrijvigheid gaande die zich concentreerde rond de belangrijkste gebeurtenis die dag; de uitvaart van Weija.
Wij vonden in die bedrijvigeid ons eigen taakje, zoals we dat gewend zijn te doen als we daar zijn. Koffie zetten, broodjes smeren, de hond geruststellen, muziek maken, herinneringen uitwisselen.
Om 13.00 uur was het echt tijd, Weija moest aan de reis beginnen en daarvoor werd zij in haar kist gelegd. Wij zouden haar met zijn allen tot het laatste toe gezelschap willen houden, maar omdat dat niet gaat, moesten we nu toch echt afscheid nemen.
Pas toen merkte ik, dat ik al die tijd vooral naar Weija's handen had gekeken; mooie, vrij kleine, slanke handen met goed verzorgde nagels aan een beetje spitse vingers. Elegante handen.
Die handen hadden pas nog zaadjes uit de planten in de tuin geplukt, thee voor mij gemaakt, mijn camera'tje vastgehouden, haar geliefden gestreeld, haar moeder getroost en ook gewoon nog een boterham gemaakt.
Ik neem me voor die mooie lieve handen te onthouden en elke dag aan ze te denken.
Toen het tijd was om te gaan, opende Lot de grote deuren van de boerderij. Het februarilicht viel bescheiden naar binnen, buiten stonden alle buren te wachten om Weija de laatste eer te kunnen bewijzen. Emma speelde piano, de mannen droegen Weija naar buiten, naar de auto. Weija vertrok voor de laatste keer.
Dag lieve Weija